Home
Introductie
Geschiedenis
 

Geschiedenis Roosteren

Een jarenlange zoektocht naar de genealogie van de familie Kras, heeft mij doen belanden in het Limburgse plaatsje Roosteren, gelegen in midden Limburg. In deze gemeente hebben eeuwenlang families gewoond en gewerkt met de naam Craeghs. Uit diverse aktes heb ik kunnen opmaken dat deze families in Roosteren werkzaam waren in de landbouw en veeteelt. Ze waren grootgrondbezitters met veel eigendommen in deze streek.
Mijn zoektocht echter heeft zich vooral toegespitst op de namen Craeghs en Kras. Wat is hun verwantschap?
Uit diverse kerkelijke aktes is onomstotelijk vast komen te staan dat de familienaam Craeghs, in ± 1770 in de bommelerwaard vervormd is naar de naam Kras. U moet dat zo zien dat bij een huwelijk of andere gebeurtenis, vooral gelet werd op de uitspraak, en niet op het geschreven woord. Ik ben tot de conclusie gekomen dat afstammelingen met de naam Craeghs en Kras uiteindelijk tot een en dezelfde familietak behoren.
Omstreeks het jaar 1770 hebben twee broers, genaamd Hendrikus en Johannes Craeghs zich verplaatst vanuit Roosteren naar het plaatsje Bruchem in de Bommelerwaard. Omdat Roosteren gelegen is aan de Maas, en Bruchem aan de Waal, ga ik er vanuit dat deze verplaatsing zich via het water (boot) afspeelde. In de Bommelerwaard hebben zij zich gevestigd als landbouwer, in die periode werd hun naam veranderd in Kras of Cras, en uiteindelijk hebben zij zich daarna onder deze naam verplaatst door heel Nederland.

Het wapen van Roosteren

 

Een kleine toelichting op een stukje geschiedenis Roosteren.

Het plaatsje Roosteren, het beginpunt dus van mijn genealogie, komt in oude archieven voor als Rosusteren, Rufsusteren, Rustren, Roesten, Roesteren, Rosteren en Roisterad. Het is een samenvoeging van Rode en Suestra.
Roosteren ontstond aan de samenvloeiing van de Roode Beek en de Geulenbeek en is waarschijnlijk een ontginning vanuit de abdij van Susteren aan het begin van de achtste eeuw.

In oude akten komen we voor het eerst een “hof Roosteren “ tegen. In 1243 werd “hof Roosteren“ eigendom van graaf Otto van Gelder. Het dorp Roosteren is in 1277 door Hendrik van Gelder, die heer van Montfort was, overgedragen aan graaf Reinald van Gelder. Sinsdien is Roosteren tot aan de Franse Tijd in 1794 in bezit gebleven van het graafschap, en later hertogdom Gelder. Later vormde het samen met Echt en Maasbracht een schepenbank van het ambt Montfort in het Gelderse Overkwartier.
Na bezetting door de Fransen in 1794 werd Roosteren ingedeeld bij het departement van de Nedermaas. Maastricht werd hiervan de hoofdplaats. Bij de scheiding van Nederland en België in 1839 werd de maas grenslijn tussen België en Nederland. De bewoners stoorden zich hier niet erg aan. Ze hadden vroeger altijd al een goede band met Maaseik gehad. Deze band bleef ook na de scheiding bestaan.
Het oude centrum van oud-Roosteren gaat nu schuil achter de hoge dijk van het julianakanaal. De dijk scheidt oud en nieuw-Roosteren. Midden in dit centrum ligt nog steeds het kerkhof met grafstenen van oude Roosterse families. Op de open plek voor het kerkhof stond tot 1843 het oude Romaanse kerkje. In 1843 is het verdwenen, omdat de nieuwe kern van Roosteren om een nieuwe kerk vroeg.

Roosterens burgelijke geschiedenis is de historie van een conglomeraat van verschillende grondeigendommen, die vooral door huwelijk herhaaldelijk van eigenaar verwisselden en waarvan de bezitters ieder op hun gebied heer speelden, maar geen jurisdictie hadden.

Wat de rechtelijke macht betreft behoorden Roosteren tot de schepenbank van Echt, die uit zeven leden was samengesteld, waarvan vier uit Echt, twee uit Maasbracht en één uit Roosteren. Deze toestand bleef bestaan tot aan de komst der Fransen.
Roosteren bezat in een bepaalde tijd drie hoeven, nl. “Ter Borch“ ( kasteel Barbou ) “De Borg“( huize Schoolmeesters ) en kasteel “Eykholt“ (onder de van Rossum’s tot “kasteel “herbouwd en “Borch “geheten) Oorspronkelijk lag er te Roosteren één kasteel dat eenmaal ook militaire betekenis gehad heeft, nl. toen het in 1632 door Frederik Hendrik bij zijn Maas-veldtocht verwoest werd., kasteel “Ter Borch“ dat na zijn verwoesting slechts als hoeve in gebruik en dat omstreeks 1880 door Jean Octave Barbou herbouwd werd tot een groots adelijk landhuis, op de huidige topografische kaart abusievelijk aangegeven met de “Borch“. Het lag ten opzichte van zijn omgeving op een hoogte en had vermoedelijk geen grachten. Na zijn verwoesting in 1632 werd de hoeve met erbij behorende goederen eigendom van Jan van Rossum, de bezitter van het later genoemde Eyckholt met het Heufken. Hij herbouwde deze hoeve tot een nieuwe “Borch“ en noemde zich heer van Roosteren.
In het midden van de 18e eeuw werd Jean Paul de Plevits eigenaar van “Ter Borch“. Jan Paul de Plevits, zoon van Jan Baptist Plevoets uit Loon, kolonel in het leger van Keizer Karel VI, en van Catharina Groeters uit Luik. Jan Paul de Plevits huwde in 1726 met Agnes Sybilla Craeghs.
Hij moet er reeds in 1752 gewoond hebben want in dat jaar werd zijn oudste kind Maria Catharina te Roosteren geboren.
Een derde “Borch“ te Roosteren is de grote herenboerderij tegenover de kerk, waar de familie Schoolmeester reeds vanaf de 15e eeuw woonachtig is.
Dit landhuis is wellicht het oudste goed in deze streken dat onafgebroken bezit van dezelfde familie is. De benaming “De Borg“ dateert uit het midden der 17e eeuw toen “Ter Borch“ verwoest was en de zich “heer van Roosteren “noemende Jan van Rossum zijn nieuwe “Borch“ ( het latere Eykholt ) nog niet herbouwt had.

Juist in deze tijd was er een nauwe verwantschap tussen de families Schoolmeesters en de familie Craeghs, langs welke laatste familietak “Ter Borch“ en “In gen Noelken“ ( Nolkenskamp ) aan Jan Paul de Plevits gekomen moet zijn.

Terug naar Geschiedenis

 

Disclaimer - @ oktober 2017 Designed bij Compu-Link